2010: De teen van Casillas

Mijn WK-obsessie was er sinds 2006 niet minder op geworden, maar in de zomer van 2010 was ik niet in de gelegenheid om die obsessie te botvieren. Ik had eerst nog wel het idee om weer een schrift bij te houden, maar ik had er geen tijd voor. Ik was namelijk net klaar met mijn eindexamen, net terug van examenreis en ging bijna studeren.

Het was het laatste WK dat ik nog in mijn ouderlijk huis met mijn vader en broers op de bank hing tijdens elk enigszins interessant potje. Zo zagen we Siphiwe Tshabalala een prachtgoal scoren in de openingswedstrijd van Zuid-Afrika tegen Mexico, en het Noord-Koreaanse elftal hartstochtelijk huilen tijdens hun volkslied, voordat ze dapper ten onder gingen tegen Brazilië. Ook zagen we Nederland met 1-0 winnen van Keisuke Honda’s Japan. Maar anders dan in 2006, keek ik ook veel buitenshuis. Toen ik m’n eindexamen beeldende kunst mocht inzien, streamde meneer Reijven Griekenland-Nigeria op de muur van het lokaal. Oranjes comfortabele 2-0 winst tegen Denemarken keek ik met vrienden ergens bij iemand die z’n tv in de tuin had gezet. En toen we met 1-2 wonnen van Kameroen (met Eto’o nog altijd als ster), stond ik in een kroeg in Zwolle. Als ik een schrift had willen bijhouden, was dat een moeilijke opgave geworden.

Toch is het WK van 2010 voor mij vooral een terugkeer naar het Oranjegevoel zoals ik dat in 1998 ook had ervaren. Anders dan in de tussenliggende jaren, hadden we dit keer weer spelers die tot de verbeelding spraken en momenten om trots op te zijn. In plaats van DENNIS BERGKAMP hadden we Sneijder met het hoofd en in plaats van de ondergang tegen Brazilië versloegen we ze dit keer wél. En waar we toen die ene Achilles vreesden, die Beste Voetballer Van De Wereld, waren we nu bang voor Het Beste Elftal Van De Wereld: Spanje. 

Maar voor we hen zouden treffen moesten we ons eerst een weg banen naar de finale. We speelden Slowakije, Brazilië en Uruguay letterlijk en figuurlijk aan flarden, we hadden de tegenovergestelde transformatie doorgemaakt als die van de Duitsers. Die Mannschaft sprankelde met rasvoetballers als Thomas Müller, Mesut Özil en Lukas Podolski, terwijl wij afbraakvoetbal op de mat legden. We hadden prachtige voetballers die we De Grote Vier noemden: Arjen Robben, Robin van Persie, Wesley Sneijder en Rafael van der Vaart. Maar hun genialiteit werd overschaduwd door het gezwoeg en geschop van Nigel de Jong, Mark van Bommel en Dirk Kuyt.

Op het terras met een biertje in de hand maakte dat mij en mijn 16 miljoen medebondscoaches geen bal uit. De Duitsland-haat was weggeëbd en we vonden het niet eens erg om toe te geven dat we speelden ‘als Duitsers’. Op het terras maakten sowieso maar weinig dingen echt uit. Er moest bier zijn, niemand moest voor het scherm langslopen en wij moesten er meer maken dan die anderen. Daarna was het feest. Niet lang daarvoor had ik m’n hoofd nog gebroken over m’n vwo-examens en welke studie ik na de zomer moest doen, maar nu was al die complexiteit teruggebracht tot slechts drie variabelen. De hoeveelheid bier. De mate van zicht op het scherm. De stand. Het leven kan soms zo simpel zijn.

Toch was dit WK voor mij meer dan alleen een herhaling van ’98 beleefd in het lichaam van een bijna-volwassene. Want mijn obsessie uit 2006 was nog niet verdwenen. Naast Oranje hield ik ook zo’n beetje ieder ander land nauwlettend in de gaten. Er waren prachtige thrillers, zoals Duitsland-Engeland (4-1) met de dubieuze afgekeurde goal van Frank Lampard, of Uruguay-Ghana (Uruguay won na penalty’s) met Luis Suárez’ mondiale doorbraak als ‘super villain’. En er was misschien het beste voetbal dat ooit op een WK vertoond is. Wat de Spanjaarden deden was welbekend en tegen die tijd al volledig kapotgeanalyseerd, maar niemand had nog uitgevogeld wat je ertegen kon doen. Als Xavi, Andrés Iniesta, Xabi Alonso en Sergio Busquets begonnen te tikken, was het bijna onmogelijk de bal nog te heroveren. En dan konden ze Cesc Fàbregas en David Silva nog van de bank halen. Voorin hadden ze met David Villa en Fernando Torres twee van de koelbloedigste spitsen van deze eeuw en dan hadden ze ook nog eens een magistrale defensie met Carles Puyol, Gerard Piqué én Sergio Ramos. Bovendien stond in de goal de beste doelman van het moment: Iker Casillas. Eén voor één smoorden de Spanjaarden met geduld en precisie hun tegenstanders, zelfs de swingende Duitsers waren geen partij.

Maar wij, wij waren anders. Wij waren geen Duitsland. Wij speelden lelijk en pragmatisch. Wij probeerden niet te voetballen, wij schopten je doormidden. De Jongs karatetrap tegen de borst van Xabi Alonso vatte ons WK perfect samen. Volgens geen enkel objectief criterium verdienden wij die finale te winnen. Maar heel Nederland was inmiddels één groot terras geworden, waarop wij met een biertje in de klauw het scherm probeerden te zien en voor ons telde alleen dit: wij zijn Nederland, dus wij horen dit te winnen. De teen van Casillas voorkwam Robbens goal, Iniesta schoot Spanje naar winst. Een halfuur later veegden wat tieners de scherven bij elkaar, waarna ze het terras sopten en de oranje slingers weer naar de kelder brachten. 

Ondanks die rampzalige afloop, was dit misschien wel mijn mooiste WK-ervaring. Na een periode van obsessie was ik met mijn grote liefde getrouwd en dit was onze huwelijksreis. Zorgeloos. Pas jaren later realiseerde ik me dat er ook toen al heel wat mis was in onze relatie, maar liefde maakt blind. Niet dat ik de rafelrandjes van het WK in Zuid-Afrika niet had kunnen zien, ik wilde het niet zien. Tussen mijn eindexamens en het begin van mijn studie, wilde ik een zomer zonder gezeik. Ik wilde gewoon genieten van een mooi toernooi. Zuid-Afrika 2010 bleek de laatste keer dat dat me zou lukken.