Kerstcolumn: Trainers blijven trainers

Het valt me al tijden op dat de topclubs in de Eredivisie allemaal een lulletje rozenwater als trainer hebben. Ik weet zeker dat die allemaal in de keuken staan met kerst. Niks traditionele verhoudingen als de vrouw maakt het eten klaar terwijl de man op Boxing Day naar Manchester United – Sunderland kijkt.

Gewoon Peter Bosz die de eendenborst uit de oven haalt en hem per ongeluk laat vallen. Z’n vrouw die daar wat van zegt en hij die dat, met een betweterige glimlach, weerlegt: “Aan de andere kant kun je je afvragen: waar was jíj toen het misging?” – en een knikje.

Giovanni van Bronckhorst die heel voorspelbaar toch weer de kalkoen het vertrouwen geeft en daar dan aan tafel, ten overstaan van de gasten, toch weer iets over moet zeggen: “Ik heb dus voor de kalkoen gekozen, omdat ik ervoor gekozen heb dat we kalkoen eten.”

Phillip Cocu die na het kerstdiner in de spiegel kijkt en heel voorzichtig  vraagtekens zet bij wat hij heeft bereid: “Het moet allemaal nog veel beter, we zijn zoekende. Aan de andere kant kun je stellen: we geven heel weinig weg, waardoor er toch heel wat te genieten valt. Het belangrijkste is dat we weer hebben gegeten, de manier waarop dat gebeurt daar werken we aan.” Peter Bosz is het daar trouwens niet mee eens: die kan een hele avond teren op de perfect uitgevoerde amuse, terwijl alle gasten nog te weinig gegeten hebben om aan het einde van de rit nog mee te tellen.

Je ziet het: ook met kerst komt er niets verrassends uit die drie toptrainers. Ze doen ‘hun stinkende best’, hebben een hart van goud, maar het is zó saai en voorspelbaar. Ik mag in dat licht de aanvoerders niet onbesproken laten. Davy Klaassen vreet het allemaal heel heftig en wild op, maar is in de keuken de ideale schoonzoon die nog even helpt afwassen.

De keurige PSV-captain Luuk de Jong kan zijn scheldwoorden maar moeilijk binnenhouden als broer Siem zegt dat hij er zelfs half geblesseerd tegenwoordig meer maakt dan hij. Maar hij blijft glimlachen, omwille van de goede vrede.

En dan Dirk Kuyt, die zit op de bank, uitgerekend op zo’n belangrijk moment als eerste kerstdag. Er is een stoel te weinig en Dirk voelt zich nergens te groot voor. Van de gasten krijgt hij er de hele avond vragen over, die hij weglacht, maar die hem diep van binnen helemaal opvreten. Waarom moet het altijd over hem gaan, zelfs als hij niet speelt en het aan tafel gewoon een succesverhaal is? Het lijkt soms wel voetbal, die kutkerst.