Nostalgieweek: De vijver, takken en bakstenen

Het was één van de vervelendste dingen van voetballen op straat, maar stiekem toch ook één van de vele dingen die het zo mooi maakten: de bal uit de sloot halen. Ook Gerjan deed dit ooit, als kind, regelmatig en tijdens zijn studententijd blijkt dit een vaardigheid die zo of en toe nog van pas komt.

Ik heb leren voetballen op het veldje achter het huis. Het was een relatief groot veldje met doeltjes waar de gemeente Apeldoorn op een gegeven moment netten in liet maken. Netten die er een paar weken later, door oudere jongens, weer vakkundig uitgesloopt werden. Voor mij en enkele vriendjes uit de buurt mocht dit de pret natuurlijk niet drukken. Elke middag na school en in het weekend voetbalden we onafgebroken. We beeldden ons in dat we Dennis Bergkamp, Jari Litmanen of Edwin van der Sar waren; die tijd dus. De grasmat was de mooiste van Nederland. Ik kan me herinneren dat we dachten dat het gras beter was dan dat in de Arena, wat overigens nog best zou kunnen ook.

Het veldje was omgeven door een anderhalve meter hoge heg. Die heg deed niet alleen dienst om in te klimmen als er een loslopende hond voorbij kwam – een angst die nooit helemaal is overgegaan – het was ook een ideale ballenvanger voor ballen die over en naast gingen.

Er was alleen één probleem. Naarmate onze leeftijd vorderde -na verloop van tijd konden we wedstrijdjes doen om van het ene doel naar het andere te schieten- kwam het nog wel eens voor dat we de bal over de heg schoten. Aan de ene kant van het veld was dat niet zo erg; er stonden immers auto’s en huizen achter, maar aan de andere kant wel. Daar lag namelijk een sloot achter en dan moest het spel onderbroken worden.

In een nostalgische herinnering zie ik mij met drie vriendjes van tegenover zoeken naar takken die lang genoeg waren om toch minstens een paar meter van de vijver mee te overbruggen. Een queeste waarbij menig boom en struik het niet overleefde. De kunst was om zover mogelijk over de vijver heen te hangen, elkaar vasthoudende om niet in het water te vallen. Wat meestal lukte. We ontdekten dat er enkele tientallen meter verderop stenen lagen. Van die echte bakstenen die er voor zorgden dat, mits je de steen precies achter de bal gooide, de bal weer jouw kant op kwam drijven. Als het lukte om de bal weer terug te krijgen, zorgde dat voor een enorme trots. Met de zojuist heroverde trofee kon je tot aan het avondeten weer doorspelen. Heel wat middagen en avonden werden zo besteed. Voetballen op het veld, met als vaste onderbreking de bal uit het water halen.

Tijden veranderen echter. Veldjes maakten plaats voor kunstgras, heggen veranderden in voetbalkooien en ik verhuisde van het grote dorp Apeldoorn naar de kleine stad Leiden om te gaan studeren. Sommige dingen komen niet meer terug. Het elke dag voetballen verdween en werd een invalbeurtje op incidentele basis bij een vriendenteam. Je koestert een geromantiseerde herinnering van jezelf als kleine jongen. Niets mis mee.

Afgelopen weekend trof ik mijzelf tussen een aantal vrienden van de vereniging. We zijn in training voor een wedstrijd tegen een zustervereniging uit Delft. De training houdt het midden tussen een partijvorm en alvast bedenken waar we zo een biertje gaan drinken. In een vlaag van ongebreideld enthousiasme leun ik net iets te ver achterover waardoor de bal niet alleen over het doel heen gaat, maar ook over het meters hoge hek dat achter het doel staat. Onverbiddelijk belandt de bal in de brede sloot die erachter ligt.

Mijn vrienden op het Leidse kunstgrasveld bedenken zich geen moment. Een zoektocht naar takken van minstens drie meter en bakstenen wordt op touw gezet. Zonder dat het uitgesproken hoeft te worden denkt iedereen terug aan vijftien jaar gelden, toen we allemaal op verschillende plaatsen in het land ook zo over slootjes en vijvertjes gebogen stonden. Soms is het verleden dichterbij dan je denkt.