Met de bus door Napels

Vanavond speelt Napoli in eigen huis tegen Dinamo Moskou. Thomas, die voor ons een verslag maakte van zijn voetbalreis naar Italië, was er twee weken geleden bij toen de Napolitanen tegen Trabzonspor speelden. Na een stuk over de Maradona-verering bij de Italiaanse club, volgt nu een verslag van een chaotische terugreis naar het hotel.

Ik sta te wachten op de bus die me van het stadion van Napoli terug moet brengen naar het centrum. De heenreis ging per metro, maar helaas reed de laatste al om 22.15 uur. Het is ondertussen ruim na 23.00 uur en dus ben ik aangewezen op de bus. De lijndienst, want extra bussen lijken ze hier niet in te zetten om de stroom van fans naar het centrum af te voeren.

Het wordt steeds drukker bij de bushalte. Rechts naast me staat een voor Italiaanse begrippen lange man. Ik schat hem rond de 25. Een driedagenbaard, witte sjaal met het lichtblauwe clubembleem en een sigaretje in de mondhoek. Aan de andere kant van me valt een oud mannetje bijna tegen me aan, omdat hij opzij moet voor wat fans die naar hun geparkeerde auto’s lopen. Hoe vaak heeft deze man al niet bij deze bushalte gestaan, hopend snel naar huis te kunnen? Zijn ouderwetse pet zit na de duwende supporters wat scheef op z’n hoofd. Met geduld en precisie zet hij hem weer recht.

Een paar praatjesmakers blijven staan. Zij dragen een moderne ‘cap’, van Heineken. Rond hun de geur van wiet. Een jongen laat zijn wijsvinger zien aan de rest van de groep. Geheel en al onder het bloed. Hij praat hard, snel en agressief. Wat er gebeurd is, ik heb geen idee, maar hij is er niet blij mee. Een vriend van hem geeft een zakdoek om rond de vinger te binden. De witte stof kleurt langzaam rood, maar het lijkt verder mee te vallen. Als een van de laatsten voegt een meisje zich bij de groep wachtenden. Zij loopt moeizaam op krukken, ondersteund door haar vriendin. Haar voet zit in het gips, maar dat betekende uiteraard niet dat ze deze wedstrijd van haar club zou moeten missen. Niet voor niets is het gips Napoli-blauw.

Ik kijk de lange weg af, geen bus te bekennen. Wel stroomt er uit een zijstraatje opeens een groep tuig de weg op. Ze dragen bierflesjes en tuinstoelen en rollen zelfs een container vol zooi mee. Hun gezichten zijn bedekt met sjaals en capuchons. Dit belooft weinig goeds. Wie ze willen provoceren is me onduidelijk, geen uitfan of politie in de buurt, maar ik besluit niet te gaan wachten op heibel. Ik loop alvast wat verder de drukke weg af, naar een volgende bushalte. Liever nu rustig wandelend deze kant op, dan straks rennend. Ik ben niet de enige die er zo over denkt, een handvol mensen loopt ook alvast wat verder. Onder hen de driedagenbaardman. De rest laat ik achter.

Het duurt lang voor er een bus langs komt, ik sta al bijna dertig minuten te wachten. Dan zie ik in de verte iets verschijnen. Een oude, gele bus. Stampvol. En niet mijn nummer. Ik moet de 151 hebben, naar Piazza Garibaldi, tegenover het centraal station. Deze bus heeft niet eens een nummer en gaat naar een eindbestemming waar ik nog nooit van heb gehoord. Een paar mensen duwen zichzelf de bus in, het past nog net. Als de deuren dichtgaan zie ik een witte sjaal met blauw logo ertussen komen.

Het is al kwart voor twaalf geweest als de volgende bus verschijnt: de R7. Weer niet mijn bus, maar bijna iedereen baant zich een weg naar binnen. Ik kijk vragend naar de buschauffeur: “Centro?”. “Si, si Piazza Vittoria.” Geen idee waar het precies ligt, het centrum van Napoli is vrij groot, maar ik neem de gok. Ik ben tenminste in de goede richting onderweg. Ik sta op de eerste trede als achter me de deur dichtklapt en de chauffeur flink optrekt. Om me heen een bekende geur: marihuana. De jongens met caps en bebloede vingers hebben bij de vorige halte blijkbaar ook besloten deze bus te pakken en zijn alvast hun volgende joint aan het draaien.

Tien minuten later bereiken we Piazza Vittoria. De bus stroomt leeg. Ik zie dat het vanaf hier nog ruim een uur lopen is naar mijn hotel, dus dat is nog steeds geen optie. Opnieuw moet ik hier wachten op de 151 of op N2, een nachtbus naar het station. In een hoek van het bushokje ontdek ik de driedagenbaardman. Hij heeft zijn sjaal dus nog weten te bevrijden van de deuren. En weer glijden de minuten de Napolitaanse nacht in. In de verte luiden kerkklokken twaalf keer. Samen met ruim tien mensen wachten we op een halte op een rotonde. Onze bus heeft het hele rondje gereden en dus staan we midden op de rotonde. Opeens opwinding rond de wachtenden. In de verte een bus.

De gele letters maken het duidelijk: extra bus naar Piazza Garibaldi. Dus toch extra vervoer! Ruim drie kwartier te laat, maar goed. Alleen, in plaats van de rotonde geheel te nemen, slaat deze meteen rechtsaf. Ons dus achterlatend. De wietgebruikers zwaaien en fluiten naar de bus, zonder effect, en besluiten de achtervolging in te gaan. Rennend gaan ze achter de bus aan, gebarend dat hij moet stoppen. Ik ren achter ze aan, op de voet gevolgd door de driedagenbaardman. En jawel, in de verte stopt de bus bij de volgende halte. Het lukt me om op tijd de achterste deuren van de bus te bereiken. Eindelijk: op naar het station! Op naar mijn hotel. Op een stoeltje zit een wat oude man, met ouderwetse pet. Hij heeft blijkbaar in al zijn ervaring afgewacht en heeft nu een mooie zitplaats bemachtigd.

We zijn er bijna, nog drie haltes van Piazza Garibaldi af. De bus stopt om een volgende reiziger binnen te laten. Eerst zie ik een kruk. Dan nog een. Dan lichtblauw gips. Hoe het meisje het helemaal tot hier heeft gehaald, welke bus ze heeft genomen, geen idee, maar de laatste drie haltes zijn we weer compleet. Het is kwart over twaalf. De bus komt aan bij de laatste halte. We stappen uit. Eerst het gipsenmeisje, voorzichtig manoeuvrerend op de krukken. Dan uiteraard de wietgroep, die al de vlam in de volgende joint zet. Het oude mannetje wordt voorgelaten door de driedagenbaardman. Ik zwaai nog een keer naar de buschauffeur, een Hollands ‘grazie’ roepend. Als laatste verlaat ook ik de bus en zet ik eindelijk voet op Piazza Garibaldi.

Lees meer over de voetbalreis in Italië van Thomas Rensen: Heimwee naar de heilige Diego

Foto bovenaan: Thomas Rensen.