Indianenverhalen: van Pires tot Materazzi en van Del Piero tot Nesta

Je gaat niet in India voetballen omdat het zo goed staat op je cv. Je gaat er ook niet heen omdat is gebleken dat India nou zo’n enorm voetballand is. En iedere week familie vanuit Europa laten invliegen doe je ook niet voor de lol. Wat maakt het voor de ‘Europese’ voetballer dan toch zo aantrekkelijk om naar India te vertrekken?

Het antwoord op die vraag kan ik je eigenlijk niet geven. Want Robert Pires is te druk in gesprek met Arsenal, Alessandro Del Piero spreekt Italiaans en ik niet en Marco Materazzi heeft ooit mijn held Zinedine Zidane uitgescholden. Snap je? Maar als je toch alles over de Indiase Super League wilt weten, blijf dan vooral lezen.

Uitleggen hoe mooi de vorig jaar geïntroduceerde Indian Super League is, kun je het best doen op basis van de indianenverhalen die reeds maanden de ronde doen. Na Rusland, de Verenigde Staten, China en Turkije is er een nieuwe thuishaven ontstaan voor topvoetballers die in verweggiestan hun carrière willen afbouwen. De eerste editie van de Indian Super League ging vorig jaar oktober van start en telde al genoeg voetballers met internationale allure die het niveau omhoog trekken. Met een acht clubs tellend toernooi werd hard aan de weg getimmerd.

Ik heb helemaal geen zin om voor dit artikel allerlei Wikipedia-achtige statistieken erbij te pakken en dan te zeggen dat het allemaal kut is wat ze daar doen. Maar feit is dat iedere club volgens Wikipedia aan het begin van het seizoen één marquee speler mocht aanwijzen die het niveau van de club moest bepalen. Verder moest een selectie uit minimaal veertien Indiase contractspelers bestaan.

De Indiase top

Nadat het eerste seizoen op 20 december werd gewonnen door Atlético de Kolkata is het best grappig om te zien hoe de top van het Indiase toernooi zich geëvolueerd heeft. Elano was de marquee speler van Chennaiyin, Materazzi werd als trainer aangewezen. Laatstgenoemde heeft ook maar even zijn oude vrienden Mickaël Silvestre en Alessandro Nesta opgetrommeld om aan te schuiven bij de Indiase voetbaltafel.

Bij FC Goa moest Pires de kar gaan trekken. Hij heeft India nu echter alweer verlaten. Tegenwoordig eet hij weer gewoon cornflakes met melk als ontbijt in plaats van kip tandoori. Tsja, dan is de keuze natuurlijk snel gemaakt.

Maar ook zonder Pires blijft Goa een club om rekening mee te houden. Moet je nagaan. Zo’n André Santos speelt eerst een paar jaar bij clubs als Arsenal en Fenerbahçe en maakt ineens deel uit van Goa’s vreemdelingenlegioen. Waarvan Zico, een topvoetballer van weleer, overigens in no time een geheel heeft gesmeden. Ze strandden in de halve finale.

De corner van John

Naast de bovenstaande twee topclubs kun je bij iedere Indiase club dus zomaar samenspelen met een voormalige internationale topper, die marquee speler. Trainer Harm van Veldhoven moest ineens in de kleedkamer van Delhi Dynamos tegen middenvelder Hans Mulder zeggen dat hij in het vervolg wat eerder moest passen naar Del Piero. En als John Goossens bij FC Pune City een vrije trap of corner nam, moest hij steevast zoeken naar het hoofd van David Trezeguet.

Fredrik Ljungberg en Joan Capdevila waren de lachertjes van de competitie. Capdevila werd met zijn NorthEast United laatste, terwijl Ljungberg er geen moer van bakte bij Mumbai City FC. De Zweedse buitenspeler, inmiddels 37 jaar, moest de voorzetten afgeven op Nicolas Anelka, maar dat bleek geen succesvolle combinatie.

Waarom dan toch de keuze maken voor India, vraag je je af? Dat lijkt niet zo heel moeilijk. Vrijwel iedere Indiase ploeg wordt geleid door steenrijke zakenmannen die liever vandaag dan morgen succes hebben met hun club. Ongeacht welk salaris zo’n marquee speler daarvoor wenst te ontvangen. Niet heel raar dus, dat de spelers over wie het tot dusver in dit stuk is gegaan vrijwel allemaal rijp zijn voor het voetbalkerkhof. Lekker afbouwen en nog een zooitje extra centen bijverdienen voor een tevreden voetbalpensioen. Waar hebben we dat toch eerder gehoord? Vast niet in Rusland, de Verenigde Staten, China en Turkije.

Succesfactor nul

Waar geld is, is geluk. Maar ook in die vier bovengenoemde landen is tot dusver bewezen dat geld geen garantie is voor succes. De CSKA Moskou’s en Galatasarays kunnen nog steeds niet aanhaken bij de internationale top, terwijl clubs als AS Monaco en Málaga afhankelijk zijn van de grimmige trekjes die een van de steenrijke eigenaren vertoont.

Alleen de Nasser Al-Khelaifi’s van India zullen blijven staan. Wat dat betreft trok die scheidingslijn al aardig door de Indiase Super League. Materazzi heeft zich met slim ‘aankoopbeleid’ naar de top van het Indiase toernooi gekocht. Hij verzamelt vertrouwelingen om zich heen, met wie hij in Europa jarenlang heeft samengespeeld. Alleen als hij die spelers ook voor langere tijd weet te behouden, maakt hij kans om af te komen van succesfactor nul.

Laten we wel wezen: zonder competities als die in India zouden spelers als Del Piero, Materazzi en Pires nooit hun carrière op een mooie manier kunnen afsluiten. Want bij Internazionale of Juventus zouden ze toch geen rol van betekenis meer spelen. Misschien is dat wel de grootste reden waarom er zoveel oud-toppers in de Indian Super League te vinden zijn. Nog even de zakken vullen, met zowel geld als prijzen. En dat is alleen maar lekker.

Foto bovenaan: Alessandro Del Piero haalt een grapje uit met zijn teamgenoot, Hans Mulder. Bron: ste.india.com.