Jeugdtrainer Seedorf

Clarence Seedorf deed me pijn. Het deed zeer om hem, met zijn handen in de zakken van zijn grotemensenjas, langs de lijn te zien staan in San Siro.

Zeedorf

Onze Clarence. 37 jaar, dat is een leeftijd waarop je in Milaan nog een jaar of drie binnen de lijnen mag lopen. Maar Seedorf koos voor een plek in het rechthoekige trainersvakje buiten de dug-out. Daar stond hij drie maanden, met zijn handen in de zakken van zijn donkergrijze overjas. Nederlaag op nederlaag stapelend. Slechts vier van zijn tien competitieduels won hij. Een dezer weken wordt hij vervangen. Omdat het ook vanavond kan gebeuren, hanteer ik alvast de verleden tijd.

Seedorf had de spelers van Milan op hun flikker moeten geven bij zijn aantreden: “Oh Mio Dio! Jullie staan dertiende! Toen ik hier speelde, haalden we jaarlijks halve finale Champions League.” Clarence deed het anders. Ik zag hem zijn duim in de lucht steken wanneer een van de vedetten iets goeds deed. Hij glimlachte er tevreden bij alsof een jeugdspelertje voor de eerste keer niet door het midden had uitverdedigd. Na afloop een patatje! Het was gespeeld hoofdtrainerschap, waarmee hij onderstreepte dat hij onderaan de ladder had moeten beginnen. Hij was vaak ‘ongelofelijk trots’ op zijn spelers, wat iets potsierlijks had. Ik hoopte maar dat hij de Champions League nooit zou winnen als trainer. Welke superlatieven waren er dan nog over?

Aan alles was te zien dat Clarence nog niet klaar was voor het hoofdtrainerschap. Het was te kort geleden dat ze in Milaan Seedorf nog de bal konden toespelen. Kaká keek bij het betreden van het veld in zijn richting en vroeg zich af waarom hij zijn wedstrijdshirt nog niet aan had. Hij was nog voetballer. Vooruit, een keer tegenwoordige tijd: Seedorf ís nog voetballer.

Het wrangst was niet Seedorf langs de lijn, maar dat waren zijn praatjes met de pers. Wie Clarence de laatste weken in interviews zag, dacht dat hij trainer was van een subliem pingelend Barcelona. Ik heb hem uitsluitend complimenteus gehoord. Stond hij weer met de glimlach van een emoticon de pers te woord, nadat een wedstrijd tegen een club uit een of ander Zuid-Italiaans bergdorp in 1-1 was geëindigd.

Ik hoorde mijn coach van C6 weer even praten, als hij dit soort uitspraken deed: “De spelers zijn voor elkaar door het vuur gegaan”. “Ik probeer nu het spelplezier terug te brengen bij mijn spelers”. “Ik wil dat ze vertrouwen op hun kwaliteiten”. Het spelplezier terugbrengen. Dat kwam de vader van een van je teamgenoten doen in de vijfde klasse van district West-II, als de trainer er in de winterstop de brui aan had gegeven omdat het team voor de zevende keer met 9-3 had verloren. Dan werd er een schema opgesteld waardoor iedereen evenveel aan spelen toekwam.

Niet straffen, maar belonen. Niet afzeiken, maar complimentjes geven. Seedorf had alle trucjes paraat die een trainer behoeft om een zevental kleuters op een half veld naar drie punten te leiden. Ik weet zeker dat hij na de 1-1 thuis tegen Torino, opgewekt zijn spelers heeft gezegd dat ze “in ieder geval de tweede helft hadden gewonnen!” Alleen Mario Balotelli had daarbij geglunderd, maar dat ís een kind. Chronologisch gezien had Seedorf nu inderdaad een jeugdteam moeten leiden. Maar hij vergat dat hij een team coachte dat, hoe onrealistisch ook, wordt geacht wereldprestaties te leveren. De D4 van Milan schijnt vierde te staan in de regionale competitie. Pijnlijk, ja, want ik weet zeker dat Seedorf ze kampioen zou hebben gemaakt.

BioBV-Stan