Tuffen

robbenspuugtsagna

Arjen Robben spuugde gisteren naar de op de grond liggende Bacary Sagna van Arsenal. Althans, zo werd beweerd. Ik zag de beelden terug en als het niet Robben maar iemand anders was geweest, had ik gedacht dat het om een vallend snottebelletje ging.

Ik vind dat Robben inderdaad heeft gespuugd. Het tufje was klein, kort en snel. Het was een tufje dat ik tien amateurvoetbaljaren lang heb geprobeerd te produceren, maar waarin ik nooit ben geslaagd. Zoals Robben tufte op Sagna – googel voor de grap eens diens tufwaardige kapsel – wil iedere voetballer dat diep van binnen kunnen.

Tuffen is in de voetbalwereld zo alledaags als klagen bij de scheidsrechter. Gewoon op straat zie je ook nog weleens iemand tuffen of het resultaat daarvan liggen. Het perron van een treinstation bijvoorbeeld, is een plek die schijnt uit te nodigen tot het neerleggen van een lekkere fluim. Ook in een winkelstraat stuit ik nog weleens op een klodder speeksel. Daar loop ik dan omheen alsof er hondenpoep ligt.

Op een voetbalveld zijn de speekselklodders simpelweg niet te ontwijken. Het is de reden waarom voetballers noppen onder hun schoenen hebben. De dag dat een verdediger bij de scheidsrechter klaagt omdat de aanvaller zijn speeksel net ergens heeft gedropt, moet nog komen. Voor je shirt uittrekken krijg je een gele kaart, maar op negentig minuten lang het veld bevuilen staat geen straf. Frank Rijkaard (WK 1990, tweemaal in de nek bij Rudi Völler) en Francesco Totti (EK 2004, in het gezicht van Christian Poulsen) gingen te ver, maar de grasmat vol tuffen is geen enkel probleem.

Ikzelf ben er op een gegeven moment mee gestopt. Jarenlang heb ik  geprobeerd het heel nonchalant te doen. Dat resulteerde meestal in een heel lange, soort snottebelachtige draad die voor me bungelde en uiteindelijk op m’n shirt terecht kwam. En dan maar hopen dat de mensen langs het veld je poging niet hadden opgemerkt.

Op een gegeven moment concludeer je dat het voetbaltuffen niet voor je is weggelegd. Ik denk ook niet dat alle voetballers er begaafd in zijn. Klaas-Jan Huntelaar is een goede tuffer. Hij kijkt heel gedecideerd en perst er dan een piepklein tufje uit. Twee minuten later maakt hij een doelpunt.

Er zijn ook slechte tuffers in de voetballerij. Stefan de Vrij lijkt me er zo een. En Niklas Moisander. Tuffen wordt meestal gedaan door de wat stoerdere voetballer. Cristiano Ronaldo is natuurlijk een tuffer. Hij kijkt er niet zoals Huntelaar gedecideerd bij, nee, Ronaldo kijkt vlak na zijn tuf alsof hij net midden in het gezicht van Lionel Messi heeft gepoept, kort nadat die de Gouden Bal in ontvangst heeft genomen.

Ik denk dat ik zelf getuige ben geweest van misschien wel het grootste tufincident in de voetbalhistorie. Ergens begin deze eeuw, in de D-zoveel gaf iemand me een ‘vriendschappelijk’ handje, kort nadat hij in zijn eigen hand had getuft. Bij wijze van grap. Ik voelde me vies, misbruikt. Een beetje zoals Sagna zich gisteravond voelde na de actie van Robben. En dan was dat waarschijnlijk nog maar een snottebel.

BioBV-Stan