De revanche van Arsène Bonaparte

A97F6DB8125A9714B0A41BE9B3D1

Daar zit hij dan, op een stoeltje in São Paulo. Aan een bureau. Flink aan het onderhandelen over een contract met één of andere ongetwijfeld lichtelijk gestoorde, temperamentvolle Zuid-Amerikaanse voorzitter. Vijfentwintig jaar oud is hij nog maar, nu al bestempeld als ‘mislukt’. Maar nog steeds niet zo hard mislukt dat een Braziliaanse topclub hem lekker bij het grof voetbalvuil laat liggen. Nog niet zo hard mislukt dat hij naar de woestijn moet, om de hoop op een glansrijke carrière in het zand te begraven en vervolgens een zwembad vol bankbiljetten in te duiken. FC São Paulo wil de middenvelder heel graag contracteren, zelf moet hij er nog even een nachtje over slapen. Misschien verlangt hij nog naar vroeger tijden, misschien mijmert hij tussen de mooie praatjes van de Braziliaanse voorzitter door over hoe het allemaal anders had kunnen lopen.

Denílson is niet meer welkom bij Arsenal, en moet nu genoegen nemen met São Paulo. Sébastien Squillaci en Andrei Arshavin mochten hun koffers ook inpakken en de sleutels van hun Londense penthousen inleveren. Een illusie armer. Squillaci was een paniekaankoop en is nooit van het Arsenal-niveau geweest, maar Denílson en Arshavin hadden – volgens het masterplan van hun coach Arsène Wenger – nu aan de top van Europa moeten staan in een rood shirt met witte mouwen. Zes jaar geleden, tijdens de zomer van 2007, stoomde Wenger namelijk een nieuw, jong, fris team klaar om de wereld te gaan veroveren. Hij had net de Champions League-finale van FC Barcelona verloren, maar dat zou de trotste monsieur niet nog een keer overkomen.

De jonge Braziliaan Denílson was één van de pareltjes die Wenger uit zijn blik talenten trok. Samen met Cesc Fàbregas, Johann Djourou, Abou Diaby, Philippe Senderos, Lassana Diarra, Eduardo Da Silva, Mathieu Flamini, Alexandre Song, Gaël Clichy, Lukasz Fabianski, Carlos Vela, Justin Hoyte en Theo Walcott moest hij de hemel gaan bestormen, onder aanvoering van Robin van Persie, Tomas Rosicky en Emmanuel Adebayor. Wenger zag het helemaal voor zich, hij wilde het anders doen dan dat lelijke Chelsea van verderop in de stad, die geldsmijtende club die hij zo minachtte. Daar kon een trotse Fransman als Wenger geen eer uit halen, prijzen winnen omdat je toevallig de diktste portemonne bleek te hebben. Nee, deze trotse Fransman wilde alleen winnen omdat hij de beste voetbalvisie bleek te hebben.

Maar Wengers beoogde dreamteam uit 2007 kwam nooit helemaal tot stand. Heerlijk voetbal speelden zijn mannetjes en met topaankopen als Arshavin en de ‘nieuwe Zidane’ Samir Nasri begon er een kampioensteam te ontstaan. Maar er miste iets. Het team had geen killerinstinct. Op de belangrijke momenten lieten de onervaren jongelingen de kansen op succes uit hun vingers glippen. Arsenal kwam bekend te staan als het team dat – na Barcelona – misschien wel het mooiste voetbal ter wereld speelde, maar op de cruciale momenten toch de prijzen nooit won. Eén voor één vertrokken de steunpilaren van Wengers team van zijn dromen, met als meest voorkomende reden dat ze “nu ook eens voor de prijzen wilden spelen”. De meesten verdwenen naar voetbalhoofdstad Manchester: Adebayor, Kolo Touré, Clichy en Nasri naar City, Van Persie naar United. En daar wonnen ze wel prijzen.

Wenger weigerde ondertussen zijn ziel te verkopen aan de commercie en miljoenen te gooien op mogelijke versterkingen, zoals dat lelijke Chelsea van verderop in de stad. Hij was spaarzaam, als een Dagobert Duck zittend op zijn stapel bankbiljetten. Ondertussen nieuwe talenten opleidend, een nieuw dreamteam bouwend dat dit keer níet zou gaan falen. Maar Wenger werd uitgekotst om deze instelling, door de tegenstanders van verderop in de stad, door de rivalen uit Manchester. En ook door zijn eigen supporters, die ook hongerig waren naar succes, die ook weer eens wat prijzen wilden winnen. Bijna hadden zij hem, net als de vorige grote Franse Europa-veroveraar Napoleon Bonaparte, verbannen. Naar een eiland als Elba ofzo. Bijna moest hij Londen verlaten.

Deze voetbal-Napoleon heerste tien jaar geleden. Hij had een formidabel team gesmeed, dat bekend kwam te staan als The Invincibles. In het seizoen 2003/2004 evenaarde Arsène met zijn ploeg het legendarische Preston North End uit een grijs verleden, door kampioen te worden zonder één wedstrijd te verliezen. Met sterren als Jens Lehmann, Sol Campbell, Ashley Cole, Freddie Ljungberg, Patrick Vieira, Robert Pirès, Thierry Henry en Dennis Bergkamp kon niemand tegen Arsenal op. En ze speelden ook nog eens het soort voetbal waarvan het kwijl op je bek gaat staan, zo mooi.

Net als Napoleon, die na zijn val van de troon en verbanning naar Elba toch weer grote delen van Europa veroverde, plant Arsène Wenger nu ook een comeback. Ze hebben hem uitgelachen en bespot, maar Arsène bleef hoop houden en geld sparen. En nu is het 2013 en lijkt het einde voor de moeilijke periode voorbij. Nu lijkt Arsène Bonaparte zichzelf weer in ere te gaan herstellen op de troon – tien jaar na The Invincibles – om zichzelf l’Empéreur van het Engelse en misschien wel Europese voetbal te noemen. Waarom? Omdat Arsenal nu eindelijk ook geld heeft. Arsenal-CEO Ivan Gazidis heeft namelijk aangegeven dat Wengers spaarzaamheid zich eindelijk gaat uitbetalen. Arsenal heeft weer geld, te beginnen met 82 miljoen euro in de komende zomer.

Gazidis ziet zichzelf al zitten over een paar jaar, naast Wenger op de troon. Arsenal als een soort Bayern München, stinkend rijk, maar zónder hulp van de één of andere megalomane sjeik, en alle grote prijzen in eigen land en in Europa binnenharkend. Arsenal wil deze zomer met al hun geld de extreem getalenteerde Stevan Jovetic, het Belgische afro-monster Marouane Fellaini, Real Madrid-ontvluchter Gonzalo Higuaín en – het meest verrassend – Manchester United-ster Wayne Rooney als vervanger voor Van Persie binnenhalen als adjudanten van keizer Wenger. Dat aangevuld met een nieuwe groep talenten – Alex Oxlade-Chamberlain, Jack Wilshere, Aaron Ramsey en Ryo Miyaichi – moet voor een dodelijke combinatie zorgen.

Naast het geweld van Paris Saint-Germain, Chelsea, Manchester City, Anzhi Makhachkala en – vooral – AS Monaco, is het een hoopvolle gedachte dat er nog altijd mensen met een écht voetbalhart zijn, die óók een dikke portemonnee hebben. En de dure supersterren misschien voor de neus van de rijke voetbalbedrijven weg kunnen kapen. Want als een club als Arsenal even veel biedt, dan is de keuze voor de meeste spelers snel gemaakt. Arsenal heeft een identiteit, heeft historie en staat eervol vermeld in alle geschiedenisboeken. En dat, beste sjeiks en olie-Russen, is nog steeds nergens te koop. Misschien dat Denílson nog wel naar jullie club wil.